Praktijkverpleegkundigen & Praktijkondersteuners > Nieuws

29-01-2012

NMa beboet LHV: een wederzijds foutenfestival

De Nederlandse Mededingingsautoriteit heeft op 30 december 2011 een boete van maar liefst 7,7 miljoen euro opgelegd aan de Landelijke Huisartsen Vereniging. De NMa verwijt de LHV haar aanbeveling dat zittende huisartsen betrokken moeten zijn bij de vestiging van nieuwe huisartsen in hun regio. Zittende huisartsen zouden zo het aanbod van huisartsenzorg moeten monitoren en “in balans houden”.

Opvallende zaken
Het 64 pagina’s tellende besluit van de NMA bevat enkele opvallende zaken. Zo dicht de NMa zittende huisartsen een beslissende rol toe bij de toetreding van nieuwe huisartsen. De zittende huisartsen geven zorgverzekeraars een advies over de kandidaat-toetreder. Dit advies volgt de zorgverzekeraar doorgaans op bij de beslissing om al dan niet een contract te sluiten met de nieuwe toetreder. Zonder contract is het aanbieden van huisartsenzorg namelijk feitelijk ondoenlijk. De NMa stelt dat zorgverzekeraars enige invloed hebben, maar dat de gevestigde huisartsen de beslissende stem hebben als het gaat om toetreding van nieuwe huisartsen. Deze stelling lijkt te kort door de bocht. Zorgverzekeraars bepalen op grond van hun contracteerbeleid en op basis van nadere onderhandelingen immers zelf wie voor een contract in aanmerking komt en tegen welke (kwaliteits)voorwaarden. Zorgverzekeraars maken bij dit proces gebruik van het oordeel van de zittende huisartsen. De NMa keert het om en suggereert dat de zittende huisartsen beslissen. Dit is vreemd omdat het huidige wettelijke kader juist uitgaat van de zorgverzekeraar als enige zorginkoper van ondermeer huisartsenzorg.

Boete arbitrair
De NMa heeft de hoogte van de boete op vrij arbitraire wijze vastgesteld. In mededingingszaken wordt eerst een boetegrondslag vastgesteld. Die wordt vervolgens vermenigvuldigd met de duur van de overtreding en daarna met een ‘ernstfactor’ (een factor tussen 0-5). Tot slot neemt de NMa boeteverhogende of boeteverlagende omstandigheden in aanmerking. De boetegrondslag is doorgaans 10 procent van de betrokken omzet van de ondernemingen (huisartsen) die door de ondernemingsvereniging (LHV) worden vertegenwoordigd. Die rekenregel resulteert in een boetegrondslag van 200 miljoen euro. Dat vindt de NMa te hoog. De NMa vindt de contributie-inkomsten daarentegen weer te laag. De NMa stelt vervolgens – zonder enige onderbouwing – een boetegrondslag vast van 750.000 euro. Deze werkwijze maakt een onzorgvuldige indruk.

LHV niet handig
Ook de LHV lijkt (tot op heden) niet heel handig te hebben geopereerd. Zo heeft de LHV haar ‘vestigingsbeleid’ gewoon op haar website laten staan nadat de NMa een inval op diverse kantoorlocaties van de LHV had gedaan. Had de LHV haar ‘vestigingsbeleid’ meteen verwijderd - wat gebruikelijk zou zijn geweest - dan was de boete vanwege de kortere duur van de inbreuk 3,4 miljoen euro lager uitgevallen. 
Verder valt op dat de LHV geen efficiencyverweer heeft gevoerd. Als de LHV kan aantonen dat haar ‘vestigingsbeleid’ ten goede komt aan de patiënt en het vestigingsbeleid de enige manier is om dat effect te bereiken, dan zou een eventuele mededingingsbeperking gerechtvaardigd zijn. Ervan uitgaande dat de LHV de patiënt voorop stelt, zou op dit punt toch veel meer verweer van de LHV verwacht mogen worden?

LHV en NMa lieten steken vallen
Het heeft er kortom alle schijn van dat zowel LHV als NMa steken heeft laten vallen. Sommige fouten kunnen echter nog hersteld worden. Zo doet de LHV er goed aan om uit te leggen waarom de patiënt gebaat is bij haar vestigingsbeleid (efficiency-verweer). De NMa zou het marktonderzoek een ‘herkansing’ moeten geven. De rol van de zorgverzekeraar is tot nu toe onderbelicht en de hoogte van de boetegrondslag is ronduit nattevingerwerk. Als beide partijen hun huiswerk goed doen, zou er wel eens een spannende rechtszaak kunnen komen, met wellicht een heel andere - en voor LHV aanmerkelijk gunstiger - uitkomst.

Bron: Zorgvisie

  Delen op Twitter