Beroepsverdieping en praktische tools op levendig jaarcongres in Amersfoort

‘Levendig, inhoudelijk interessant en nuttig voor de dagelijkse praktijk’: het jaarcongres van V&VN jaarcongres Praktijkverpleegkundigen & Praktijkondersteuners leverde enthousiaste reacties op. Zo’n 230 deelnemers bezochten het congres, dat op 19 september in Amersfoort plaatsvond. Naast workshops van 1,5 uur die professionele verdieping boden, stond ook een interactieve sessie over ‘Empowerment, wat moeten we ermee?’ en  de ALV op het programma.

Het is inmiddels vaste prik: elk jaar, op de derde donderdag in september, staat het Jaarcongres voor praktijkverpleegkundigen en praktijkondersteuners op de agenda. De Eenhoorn (Regardz Amersfoort) vormt de locatie voor het symposium waarin het vooral om beroepsverdieping gaat: doel is dat de bezoekers veel kennis en praktische 'tools' vergaren in één dag.
Drie rondes met intensieve workshops maakten dat mogelijk. De deelnemers konden kiezen uit uiteenlopende onderwerpen: van hartauscultatie tot maximale luchtwegverwijding bij COPD en geriatrische revalidatie tot blaaskatheters en urineweginfecties in de praktijk. Voor dit verslag hebben we drie workshops uitgelicht: ‘Longauscultatie’, ‘Cardiovasculair risicomanagement voor beginners’ en ‘Diabeteszorg in de eerste lijn, anders en beter in 2013’!

Longauscultatie
De workshop ‘Longauscultatie’ werd gegeven door praktijkverpleegkundige Martien Vrolijk van Huisartsen Hoogehond in Deventer en René Hage, longarts werkzaam in Gelre Ziekenhuizen, Apeldoorn. Bij de start besteedden zij veel aandacht aan infectiepreventie: was je handen na elk patiëntencontact en maak ook het membraam van je stethoscoop schoon. Dat is vooral van belang in verband met de groeiende groep kwetsbare ouderen in de praktijk. In huisartspraktijken wordt vooral E.Coli en Klebsiella op stethoscopen aangetroffen, maar bijvoorbeeld ook de Staphylococcus aureus, die nog tot 20 uur kan overleven op de stethoscoop. Maak het instrument niet schoon met handalcohol: dat legt een vettig laagje op het materiaal en kan bacteriegroei juist bevorderen. Ook chloorhexidine is niet goed: dit kan het membraan op de stethoscoop beschadigen. Alleen alcoholdoekjes 70% zijn aan te raden.
Bij longauscultatie kun je bronchiaal, bronchiovesiculair en vesiculair ademgeruis horen en ‘muzikale’ bijgeluiden als piepende en brommende rhonchi. ‘Bij longauscultatie moet je je altijd twee dingen afvragen: is het ademgeruis normaal en zijn er bijgeluiden?’ stelde longarts René Hage. Normaal ademgeruis werd omschreven als ‘een zomers briesje’, blazend of ruisend van karakter. Bij vesiculair (normaal) ademgeruis is het inspirium drie keer zo lang als het expirium en ook luider. Is er sprake van bronchiaal ademgeruis, dan is het geluid hoger en luider. Het hoorbaar inspirium is even luid als het expirium. Het expirium is iets langer. Ademgeruis met een verlengd expirium zien we bij patiënten met een bronchusobstructie, zoals COPD.
Bij sommige aandoeningen is er juist sprake van een verminderd ademgeruis, dat noemen we ook wel ‘opgeheven AG’. Dit zien we bij patiënten met bijvoorbeeld atelectase, pneumothorax en vocht of longoedeem. De belangrijkste bijgeluiden die we kunnen horen, zijn crepitaties (fijne en grove) en rhonchi. Fijne crepitaties zijn hoogfrequente, vaak eindinspiratieve, explosieve, knetterende geluiden, te vergelijken met het geluid dat klittenband maakt. Dit geluid komt voor bij interstititiële longaandoeningen, zoals longfibrose, maar kan ook optreden bij gedecompenseerde patiënten. Grove crepitaties zijn laagfrequent en klinken met de stethoscoop wat ‘reutelend’, door slijmvorming. Daarnaast kan er sprake zijn van een inspiratoire stridor (een gierend geluid bij inspiratie door een obstructie bij de larynx of trachea waarbij er sprake is van een acute benauwdheid) en pleurawrijven, dat een krakend geluid geeft als de pleurabladen over elkaar schuren. Bij pleurawrijven heeft de patiënt ook zichtbaar pijn bij het ademhalen.
De deelnemers aan deze workshop oefenden met tal van ademgeluiden die de workshopleiders lieten horen. Het bleek niet altijd gemakkelijk om de juiste diagnose al direct te stellen. Dat hoeft ook niet altijd, stelden Vrolijk en Hage: vaak moet er ook aanvullend beeldonderzoek gedaan worden. Bovendien, zo drukten zij de deelnemers op het hart, is longauscultatie een kwestie van oefenen, oefenen en nog eens oefenen.

CVRM voor beginners
Wie in de huisartspraktijk een traject cardiovasculair management wil opzetten, moet veel voorwerk doen, zo leerden de deelnemers aan de workshop ‘CVRM voor beginners’. Er moet voldoende motivatie, kennis, tijd, personeel en ruimte beschikbaar zijn. Begin je er eenmaal aan, reken er dan op dat je 7 tot 8 uur per week tijd investeert, waarschuwde workshopleider Mieke Wijnen.
Het begint met identificatie. Bij het selecteren van de risicogroepen kun je in het HIS of KIS selecteren op ATC-codes, maar ook op meetwaarden (bmi, roken, leeftijd, etcetera). Vervolgens is dossieronderzoek nodig: is de diagnose valide? Komt de diagnose overeen met de ICPC-code? En bij selectie op ATC-codes: is het medicament voorgeschreven in verband met risico op hart- en vaatziekten? Onderzoek ook of de patiënt onder controle is in de tweede lijn, anders wordt er dubbel werk verricht. Vraag je ook af of het risicoprofiel compleet is. De lijst is feitelijk ook maar één dag actueel. Spreek daarom intern af hoe nieuwe patiënten in het traject worden opgenomen en wie hiervoor verantwoordelijk is, anders blijf je nieuwe lijsten uitdraaien.
In het onderdeel registratie is van belang dat het NHG-advies Cardiovasculair risicomanagement wordt vastgelegd in het HIS. Voeg de registraties voor hart- en vaatziekten, hypertensie en hypercholesterolomie toe aan de episodetitel CVRM. Diabetes Mellitus gaat echter altijd onder de episode DM.  Is er sprake van een combinatie van meerdere diagnoses, maak dan geen nieuwe episode aan, adviseert Mieke Wijnen. Kies voor de meest relevante episode en voeg CVRM toe aan de episodetitel. Als later DM ontstaat, verplaats de CVRM-registratie dan naar de DM-episode en verwijder de toevoeging CVRM uit de vorige episode.
Zorg voor een goede follow-up en bewaking en maak een stappenplan: wie is de ‘kartrekker’, wie doet wat? Stel ook duidelijke doelen op, inclusief tijdspad.

Diabeteszorg in de eerste lijn
Veel belangstelling was er voor de workshop ‘Diabeteszorg in de eerste lijn, anders en beter in 2013’, naar aanleiding van het verschijnen van de nieuwe Nederlandse eerstelijns diabetesrichtlijn. Huisarts Daniël Tavenier uit Barneveld, tevens kaderhuisarts diabetes, gaf aan de hand van casuïstiek en resultaten uit wetenschappelijk onderzoek op bevlogen wijze uitleg over de juiste behandeling aan de hand van de nieuwe standaard. Behandeling met metformine blijft de gouden standaard. Een belangrijk onderdeel daarvan is dat het middel glicazide het  eerste keuze-middel is geworden van de su-derivaten. Glicazide geeft het minste risico’s op complicaties als hart- en vaatziekten, geeft een lager risico op hypo’s en is even effectief als andere su’s. Bovendien verloopt de metabolisering grotendeels via de lever en wordt het middel via de urine uitgescheiden. Dit betekent dat je glicazide ook kunt geven aan een patiënt met een verslechterde nierfunctie.
Het stappenplan voor de behandeling van diabetes bij ouderen wordt dan als volgt: 1. Start metformine. 2. Voeg een sulfonylureumderivaat (su) toe aan de metformine, waarbij de voorkeur dus wordt gegeven aan glicazide. 3. Voeg NPH-insuline 1 x daags toe aan de orale bloedglucoseverlagende middelen.
Ook een belangrijk nieuwe bevinding is dat de streefwaarde voor HbA1C niet te laag mag zijn. Uit langlopend onderzoek blijkt namelijk dat er meer sterfte plaatsvindt onder ouderen die langer dan 10 jaar diabetes hebben en intensief behandeld worden. De nieuwe streefwaarde voor een oudere van 70 jaar of ouder die 10 jaar of langer diabetes heeft, is nu <64 mmol/mol geworden. Naar een lagere waarde streven, is geen goede diabeteszorg, aldus huisarts Tavenier. Bij kwetsbare ouderen is het bovendien van belang om een behandeling op maat op te stellen. Kijk en luister bij het individualiseren van de behandeling naar de klachten van de patiënt: waar heeft die het meeste last van? Dit betekent in de praktijk: geen ‘streefwaardefetisjisme’, geen complexe insulineregimes en dito dagcurves en bijvoorbeeld ook geen retinascreening, omdat dit geen meerwaarde heeft. Ook screenen op vitamine B12 heeft geen meerwaarde als er geen sprake is van neuropathie. Zorg ervoor dat de patiënt zo min mogelijk last heeft van de ziekte, de behandeling én de zorgverlener, aldus Tavenier.

Empowerment
Na de workshops was het tijd voor de plenaire lezing ‘Enpowerment, wat moeten we ermee?’ van Marlou de Kuiper. Zij is opleidingsmanager van de Master Zorgtraject Ontwerp bij de Hogeschool Utrecht. Chronisch ziek zijn is een zware baan, vertelde ze. Het is daarom belangrijk dat je je patiënten laat inzien waar zij blij van worden in het leven, zoals muziek of een huisdier om voor te zorgen. In een ontroerend verhaal vertelde ze over een kennis die al vanaf haar 9e verlamd was door polio en opeens door de thuishulp Jacqueline en aanlooppoes Mifi weer meer kwaliteit van leven kon ervaren. Interactieve oefeningen in de zaal maakten haar boodschap duidelijk: zorg ervoor dat de dingen waar je blij van wordt in je leven prioriteit worden. Probeer ook je cliënt op die manier te ‘empoweren’.

ALV
De dag werd afgesloten met de Algemene Ledenvergadering. Daarin werd Anjo Wijckmans aangenomen als nieuw bestuurslid. Ook werden nieuwe beroepsontwikkelingen onthuld. Zo krijgt het beroep van praktijkondersteuner een ‘upgrade’ naar dat van praktijkverpleegkundige. De differentiatie tussen praktijkondersteuner en praktijkverpleegkundige gaat daarmee verdwijnen. Voorzitter van V&VN Praktijkverpleegkundigen & Praktijkondersteuners Marjan Verschuur benadrukte dat dit nieuwe beleid geen consequenties heeft voor de huidige praktijkondersteuners. Wel gaan de opleidingen veranderen. Het niveau wordt verhoogd. In de toekomst zullen er dus alleen nog praktijkverpleegkundigen worden opgeleid, om tegemoet te kunnen komen aan de vereiste professionaliseringsslag in de steeds complexere eerstelijnszorg.
Volgend jaar vindt het Jaarcongres wederom plaats op de derde donderdag in september: zet alvast 18 september 2014 in de agenda!
 

Door Aliëtte Jonkers

Reacties

Nog geen reacties aanwezig.

Log in om reacties te plaatsen bij dit bericht.